Maandelijks archief: juni 2020

IZB Collecte zondag 14 juni 2020

IZB collecte voor Het Pand

Aan de rand van de binnenstad van Groningen vinden we Het Pand, welk door de IZB gesteund wordt. In Het Pand zoeken wij op een actieve manier contact met de bewoners van de Korrewegwijk in Groningen. Door het aanbieden van programma’s voor verschillende leeftijdsgroepen, komen we met een groot deel van de wijk in contact en weten wij ook welke dingen er spelen zowel op maatschappelijke vlak als ook op het gebied van geloof. Samen met de wijkbewoners initiëren wij positieve impulsen voor de wijk.

De aangeboden programma’s zijn laagdrempelig: we drinken een kop koffie, eten samen, met de kinderen wordt er geknutseld en doen we spelletjes. Tijdens de programma’s proberen wij een relatie met de bezoekers op te bouwen. Ook proberen we onze levende relatie met God in elk programma aan de orde te laten komen. Dat kan zijn door middel van een dagopening of dagsluiting, een bijbelvertelling voor kinderen of een sketch voor tieners. Op deze manier wordt het gesprek over het thema of over het Bijbelgedeelte geïnitieerd.

Ook is aandacht voor elkaar een belangrijk speerpunt.  We leven met elkaar mee, bij hoogte en dieptepunten van het leven willen we elkaar helpen. Ook met simpele dingen als een lamp ophangen, of verhuizen, we proberen het samen op te lossen.

Kortom, wij groeien naar een Christelijke geloofsgemeenschap. Waar we met elkaar zoeken hoe we achter Jezus aan kunnen gaan.

Aanstaande zondag is de extra collecte, zowel in de morgen als avonddienst, bestemd voor dit werk. U kunt uw gift over maken naar het banknummer van de Zendingscommissie, NL78RABO 0310 3556 80 tnv. Hervormde Gemeente Brakel o.v.v.  IZB. Van harte aanbevolen.

De Zendingscommissie.

Vrijdag 5 juni laatste muziekuitzending

Doordeweekse muziekuitzendingen

De verzorgingshuizen mogen langzaam weer bezoek ontvangen. Ook voor de oudere medemens worden de corona-maatregelen versoepeld. Daarom is besloten om te stoppen met de doordeweekse muziekuitzendingen. Aanstaande vrijdag 5 juni 2020 is de laatste uitzending.  We hopen dat u genoten heeft  en bedankt voor luisteren.

Een in memoriam (artikel Nederlands Dagblad)

Psalmen zingen in de oneindigheid (in: Nederlands Dagblad 8 mei 2020)
Vorige week begroef ik mijn vader, volgende week begraven we mijn moeder. Ook mijn
schoonvader heeft Corona.
Dirk Duijzer
Toen zij 2 juli 1953 elkaar het jawoord gaven, waren mijn ouders bij elkaar gekomen over de
nieuwe brug bij Zaltbommel. Vader woonde in de Bommelerwaard, naast Slot Loevestein, en
was verbonden met tradities uit de Nadere Reformatie. Moeder woonde in Ede, zij had een
evangelischer hervormde achtergrond. Onlangs nog vertelde mijn vader dat hij naar de
openbare lagere school ging, want Brakel had geen christelijke. Mijn moeder zei toen:
‘Droevig toch, dat de leerkracht niet bad met de kinderen.’ Waarop mijn vader zei: ‘Bidden
moet je altijd zelf doen.’
Waren dat de ‘twee overzijden’, die dichter Nijhoff overbrugt met de nieuwe brug bij
Bommel? In een agenda die op de tafel van mijn ouders lag, zag ik dat mijn vader met
bevende hand had geschreven: ‘Van Gijs voor Eef: ik bid elke dag om vrede, eeuwige vrede,
voor ons beiden.’ Kijk, dacht ik, bidden kun je dus toch ook voor een ander doen. De
overzijden hebben elkaar gevonden.
Mijn vader las altijd uit de Bijbel, en had een voorkeur voor de psalmen. Mijn moeder zóng
de psalmen liever, naast een breder repertoire: Johan de Heer, de Hervormde Bundel van
1938, de muzikale fruitmand van de EO. Ik vond haar poëziealbum uit 1936, waarin haar
liefhebbende moeder voor haar tienjarige dochtertje schreef: ‘Laat de kinderkens tot mij
komen, Zoo roept u de Heiland toe’.
Als ik dus psalmen hoor klinken, zoals Nijhoff liggend in het gras, dan denk ik zoals de dichter
aan mijn moeder. In het gedicht klinkt haar stem vanuit de oneindigheid. Zo ervaar ik dat in
deze periode, in de tijd tussen de begrafenis van mijn vader en mijn moeder. Ik kan hen niet
meer spreken, maar zij spreken tot mij. Vanuit een agenda, een poëziealbum, mijn
herinnering; vanuit de inrichting van hun kamer, vanuit de oneindigheid. Een kamer waarin
ik eigenlijk niet mag komen, omdat alles nog ontsmet moet worden. Gelukkig wisten
praktische en liefdevolle verzorgsters in het verzorgingstehuis de sleutel van de achterdeur
te vinden.
De moeder de vrouw
Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien
dat ik daar lag, in ‘t gras, mijn thee gedronken,
mijn hoofd vol van het landschap, wijd en zijd laat mij daar midden uit de oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.
Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij ‘t roer,
en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.
Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.
Martinus Nijhoff
Sommige boodschappen van mijn ouders heb ik tijdens hun leven niet gehoord en niet
begrepen. Ik was druk, en zij begrepen lang niet altijd waar ik mee bezig was. Zij hebben
nooit televisie gehad. Voor het vernemen van elkaars stemmen is rust nodig, tijd, en
nabijheid. Anderhalve meter afstand is dan teveel. Die afstand kon ik overbruggen, toen ik in
de laatste nacht dat ik bij mijn moeder zat niet in slaap kon komen, en overal rondom haar
sterfbed haar aanwezigheid bespeurde. Zij was lerares handenarbeid, costumière, coupeuse.
Maar toen ze trouwde en de oversteek maakte naar Brakel, stopte ze met werken. Ze kreeg
acht kinderen, was altijd bezig in de kerk, gaf iedere dag aandacht aan mensen die verdrietig
waren, jarig waren, aandacht nodig hadden. Maar nu, in rust, zag ik allemaal bakjes met
kralen, knoopjes, soorten stoffen, alles keurig in doosjes en op stapeltjes. Nijhoff zag ‘de
moeder, de vrouw’ langzaam stroomaf varen. Ik zag in de oneindigheid rondom het sterfbed
van mijn moeder, dat zij haar verleden en haar opleiding nooit had losgelaten; ook daar voer
mijn moeder!
Los van mijn ouders ben ik actief geweest in de christelijke sociale beweging. Binnen de
Christelijke Boeren- en Tuindersbond was veel aandacht voor de opbouw van Nederland.
Ook voor de emancipatie van de agrarische bevolking, en de vrouwen. De
boerenorganisaties hebben er talloze huishoudscholen voor opgericht. Onder in een kast
vond ik de diploma’s en rapporten van mijn moeder. Hoge cijfers, maar geen mogelijkheid
om naar het middelbaar of hoger onderwijs te gaan. Ik zag dat ze in 1939 naar de Christelijke
Landbouw-Huishoudschool in Ede ging. Dat had ik nooit geweten – een school opgericht en
bestuurd door de CBTB! Daar begon de emancipatie; ik zag dat ze vrijwel ieder jaar een
diploma haalde – tot ze ging trouwen, 27 jaar oud.
Op vergaderingen van boeren en tuinders kwamen vrijwel alleen mannen. Boerinnen deden
zeker de helft van het werk, maar ze vergaderden niet. Veel later, rond 2009, werd ik
verantwoordelijk voor het financieringsbeleid in de binnenvaart. Die sector vergaderde
vooral tussen de kerstdagen en oud en nieuw, en daar waren alle vrouwen bij: met diploma,
bevoegdheden en ervaring. Zij stonden zogezegd aan het roer.
Ik las die zin met nieuwe ogen: ‘Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer’. Ja, dacht ik, zij
stond aan dek. En mijn vader ook. Hoewel dat in die tijd ongebruikelijk was, deed mijn vader
op jonge leeftijd belijdenis van zijn geloof en ging hij aan het avondmaal. Mijn ouders
verhuisden van de Bommelerwaard naar Oene, en daar ging ook mijn moeder aan het
avondmaal. Beiden stonden aan dek! Ik las het in de afscheidsbrief die mijn moeder had
geschreven en die op de tafel lag, voor haar kinderen. Dat besluit, om aan het avondmaal te
gaan, had ze heel moeilijk gevonden.
Maar, stond ze ook aan het roer? Mijn vader vond het moeilijk, te zeggen dat hij een kind
van God was. Want dat oordeel was ten laatste aan God. Mijn moeder sprak zich zekerder
uit over haar geloof, maar zij koos ervoor afhankelijk te zijn van Christus en te vertrouwen op
Christus. Zeker in de dagen na Pasen, met haar geloof in de Opstanding. De al te dwingende
evangelische taal – alsof ze zelf had besloten voor God te kiezen, alsof ze zelf haar zaligheid
zou bepalen – had ze nooit overgenomen. Maar ze had zeker ook nooit geloofd in een
afstandelijke God, die naar willekeur beschikt over de mensen. Zij klampte zich vast aan de
doop en de doopbelofte, en daar is ze altijd dichtbij gebleven. Zij stond bij ’t roer. En het roer
zelf was Christus: geen twijfel mogelijk, zonder roer zou het schip niet op koers blijven.
Vader en moeder hebben beide oevers in het oog gehouden, van waar ze kwamen en waar
ze geworteld waren. De nieuwe brug bracht hen samen, en tussen beide overzijden vonden
zij hun eigen weg. Ik heb die weg gezien, pas toen ik de stilte heb opgezocht. Vanuit de
oneindigheid vernam ik een stem, die resoneert het hart. Een hart dat begint te kloppen bij
het horen van de psalmen. Op het moment dat de hartslag van beide ouders lijkt stil te
vallen.
Heeft het nog zin om psalmen te zingen nu moeder zo ziek en onbereikaar is, besprak ik met
mijn broers en zusters aan haar sterfbed. Maar ook wij, de wezen van morgen, hebben ons
vastgeklampt aan de psalmen. God troont op de lofzangen van Israël. Die mogen niet
stilvallen als onze stem verstomt. Die hebben mijn vader en moeder begeleid toen ze naar
de hemel gingen: ‘Prijs God, zijn hand zal u bewaren.’ «